053. Bijbelstudie over
DE SYNAGOGE - BEIT HAK’NESET
tcnkh9tyb
In onze vorige bijbelstudie kwamen wij tot de conclusie dat de naam ‘Kerk’ een heidense oorsprong heeft en dat de kerk zowel als gebouw alsook als instituut geen Bijbels fundament heeft, maar wel de gemeente, de Ecclesia! G’d wil geen geregistreerd kerkgenootschap met een eigen kerkgebouw en vast lidmaatschap, maar een Mishpacha, een gezin bestaande uit broertjes en zusjes, kinderen van één vader, dat voor haar samenkomsten niet gebonden is aan één vaste locatie, maar uitgaat van het principe dat waar twee of drie in Zijn naam bij elkaar zijn, Yeshua zelf in hun midden is. Deze samenkomsten kunnen bij toerbeurt in de huiskamers van de gelovigen plaats vinden, maar ook in de natuur. Een prachtig voorbeeld van dit laatste vinden wij in Handelingen 16:11-13. Ik citeer uit de Groot Nieuws Bijbel: “We voeren van Troas weg, zetten eerst koers naar Samotrake, en de volgende dag naar Neapolis. Vandaar gingen we landinwaarts naar Philippi, een stad in het eerste district van Macedonië en een Romeinse vestiging. Daar bleven we enkele dagen. Op Shabat gingen we de stadspoort uit naar de rivier, omdat we vermoedden dat daar een Joodse gebedsplaats zou zijn. We gingen bij de vrouwen zitten, die daar waren samengekomen en spraken hen toe.” Sha’ul heeft het hier dus over een samenkomst in de natuur, bij de rivier, buiten de stadspoorten van Philippi. Het maakt dus niets uit of een samenkomst in de openlucht of binnenshuis plaats vindt. Voor G'd is niet het gebouw belangrijk, maar de mensen, en ook niet het administratief lidmaatschap, dat we nergens in de Bijbel tegen komen, maar hun onderlinge liefdesband en het gemeenschappelijk geloof. Dat is het lichaam van Yeshua, waarvan Hijzelf het hoofd is. De ware gemeente, de ekklesia ekklēsia, is geen strakke organisatie, maar een levend organisme! De plaatselijke gemeente ofwel het plaatselijk lichaam van Yeshua, is dus geen kerkgenootschap, maar een Mishpacha, een geloofsgemeenschap die op Israël geënt is. Het is derhalve nooit de bedoeling van Yeshua geweest dat Zijn volgelingen kerken zouden bouwen naast de synagogen. Het is nooit Zijn bedoeling geweest dat de synagogen vervangen zouden worden door de kerken. Het is nooit Zijn bedoeling geweest dat de kerken in de plaats van de synagogen zouden komen. Een kerk is niet een soort christelijke synagoge en de synagoge is ook niet een soort Joodse kerk. Laat er daarover geen misverstand ontstaan. Maar wat is de synagoge dan wel?
Leerhuis
Synagoge is eigenlijk een Grieks woord, namelijk Sunagwgh dat 'samenkomen' betekent. De Hebreeuwse naam is dan ook Beit haK'neset [huis van samenkomst], maar zoals gezegd is de synagoge beslist niet zoiets als een Joodse kerk, alhoewel dit in sommige naslagwerken als zodanig staat vermeld, want er zijn toch wel enkele belangrijke verschillen tussen beiden. De kerk is op de eerste plaats een gebouw voor de zondagse kerkdienst waarin muziek, vrije gebeden en de preek centraal staan. De Schriftlezing blijft doorgaans beperkt tot enkele verzen. De synagoge daarentegen is op de eerste plaats een leerhuis waarin Joodse gelovigen en in vroegere tijden ook gelovigen uit de volken de TeNaCH (Hebreeuwse Bijbel) bestuderen alsook de rabbijnse verklaringen in de omvangrijke Talmud, bestaande uit Mish'na en Gemara, en dat niet alleen op Shabat, maar ook doordeweeks. Vandaar dat de synagoge in het Jiddisch ook wel 'Schul' wordt genoemd, van het Duitse woord 'Schule' hetgeen 'school' betekent. In het Nederlands is dit Jiddische woord inmiddels ingeburgerd met de spelling 'sjoel'. In het Hebreeuws noemt men de synagoge derhalve ook 'Beit haMidrash' [leerhuis], maar het is tegelijkertijd ook een 'Beit haTefila' [huis van gebed], want naast de lezing en de uitleg van de Tora [wet] en Haftara [profetische boeken] bestaat een Joodse eredienst ook uit een zorgvuldig samengestelde structuur van Schriftverzen en formuliergebeden, die gebundeld staan in de Sidur [gebedenboek]. Het belangrijkste formuliergebed, de Tefila, vormt naast de Toradienst het tweede kerngedeelte van de liturgie en wordt staande gelajent, vandaar de naam Amida, hetgeen 'staande' betekent. Het in het Hebreeuws lajenen van de Tora en de Haftara met de uitleg en eventuele vertaling is na het Sh'ma en de Amida het belangrijkste hoogtepunt van de dienst in de synagoge, in het bijzonder op de Shabat en de Mo'adim [feestdagen], maar ook in de diensten op maandag en donderdag om alle aanwezigen in staat te stellen om van G'ds wetten en inzettingen kennis te nemen, te leren begrijpen en te memoriseren. De Schriftlezing vindt echter niet plaats uit een boek, maar als vanouds uit een schriftrol, en dat maakt de Toradienst zo bijzonder en authentiek. Daarom zou ik iedereen willen aanbevelen om geregeld een Toradienst in een synagoge bij te wonen. Het liefst natuurlijk in een Messiasbelijdende synagoge, maar als die er niet is in een traditionele. In vroegere tijden was het bijwonen van de Toradienst in de synagoge voor de Messiasbelijdende gelovigen niet alleen een Mitz'va, een Bijbelse opdracht, maar vooral ook een pure noodzaak, want dat konden ze in hun eigen huissamenkomsten immers niet doen omdat ze zelf niet over de Torarollen konden beschikken. Tegenwoordig heeft iedereen wel een Chumash met de vijf boeken van de Tora alsmede de Haftara of zelfs een complete TeNaCH in huis zodat de plaatselijke huisgemeenten voor het lezen van de wekelijkse Parasha niet meer afhankelijk zijn van een regionale sjoel, maar toch is het wel raadzaam om ook af en toe een echte Toradienst met alles erop en eraan bij te wonen in een synagoge, sowieso al vanwege het Hebreeuws, Lashon Qodesh [de heilige taal], maar ook vanwege de D'rasha, de uitleg van de behandelde Toratekst.
Het besluit van de apostelen
Een van de oudste berichten waaruit blijkt dat de lezing
uit de Tora in de synagoge reeds in de tijd van Yeshua beschouwd werd als een algemeen gebruikelijk
praktijk is de uitspraak van Ya’aqov [Jacobus]
tijdens het bekende Apostelconvent in Jeruzalem: “Immers Moshe [Mozes] heeft van oudsher in iedere stad, die
hem prediken, daar hij elke Shabat in de synagogen wordt
voorgelezen.” (,yxyl>h tvlipm Mif’alot haSh’lichim
[Handelingen der Apostelen] 15:21). Het
besluit dat Ya’aqov uiteindelijk met
goedkeuring van de hele vergadering nam, veronderstelt voor de gelovigen
uit de volken dus meeluisteren en meeleren in de synagoge. De vraag voor de eerste Messiasbelijdende
gemeente was namelijk in hoeverre de Tora van
toepassing is voor de niet-joodse broeders en zusters. De Joodse identiteit van de gemeente en de toestroom van
bekeerlingen uit de heidenen wierp bij velen ook de vraag op of dezen eerst
Joods moesten worden om Messiasbelijdend te kunnen zijn. Sommigen eisten zelfs
dat de gelovigen uit de volken besneden moesten worden. Zolang de gemeente nog
volledig joods was, was er niets aan de hand, maar nu was er een nieuwe
situatie ontstaan waarin er veel onzekerheid heerste. Vanwege deze halachische problemen werd er in Yerushalayim [Jeruzalem]
een vergadering van de geestelijke leiders belegd: “De Sh’lichim [apostelen] en de Zaqenim [oudsten] kwamen bijeen om nader op deze zaak
in te gaan. Toen het tot een hevige woordenstrijd kwam, stond Kefa [Petrus] op en zei: ‘Broeders, u weet dat haShem mij al in het begin uit uw midden heeft
gekozen om de boodschap van het evangelie onder de Goyim
[heidenen] te verspreiden en hen tot geloof te brengen. G’d, die weet wat er in
de mensen omgaat, heeft blijk gegeven van Zijn vertrouwen in de Goyim [heidenen] door hun Ruach
haQodesh [de heilige Geest] te schenken, zoals Hij die ook aan ons
geschonken heeft. Hij heeft geen enkel onderscheid gemaakt tussen ons en hen,
want Hij heeft hen door het geloof innerlijk gereinigd. Waarom wilt u G’d dan
trotseren door op de schouders van deze leerlingen een juk te leggen dat onze
voorouders noch wijzelf konden dragen? Nee, we geloven dat we alleen door de
genade van Yeshua Adoneinu gered kunnen worden,
op dezelfde wijze als zij.’ Daarop zwegen alle aanwezigen, en men luisterde
naar Bar-Naba [Barnabas] en Sha’ul [Paulus], die vertelden welke grote tekenen en wonderen haShem door hen onder de Goyim
had verricht. Toen ze waren uitgesproken, nam Ya’aqov
[Jacobus] het woord. Hij zei: ‘Broeders, luister. Shim’on
[Simeon] heeft uiteengezet hoe G’d zelf het plan heeft opgevat om uit de Goyim een volk te vormen dat Zijn naam vereert. Dat
stemt overeen met de woorden van de profeten; er staat immers geschreven: ‘Dan
keer ik terug op Mijn schreden. Ik zal het vervallen huis van David herbouwen, uit het puin zal ik het weer
opbouwen. Ik zal dit huis doen herrijzen, zodat de mensen die overgebleven zijn
de Eeuwige zullen zoeken, evenals alle Goyim
over wie Mijn naam is uitgeroepen. Zo spreekt de Eeuwige, die dit van oudsher
heeft aangekondigd.’ Daarom ben ik van mening dat we de Goyim die zich tot G’d bekeren geen al te zware lasten moeten
opleggen, maar dat we hun moeten schrijven dat ze zich dienen te onthouden van
wat door de afgodendienst bezoedeld is, van ontucht, van vlees waar nog bloed
in zit en van het bloed zelf. In haast elke stad wordt de Tora van Moshe immers
al sinds mensenheugenis verkondigd en op iedere Shabat
in de synagogen voorgelezen.’” (,yxyl>h tvlipm Mif’alot haSh’lichim [Handelingen der Apostelen]
15:6-21, NBV). Uit dit verhaal blijkt dat de wekelijkse Toralezing in de synagoge een belangrijk argument was voor de beslissing,
dat de gelovigen uit de volken weliswaar niet door middel van de B’rit Mila [besnijdenis] hoefden toe te treden tot
het Jodendom, maar dat de Tora ook voor de
niet-joodse gemeenteleden het centrale gedeelte van de Schriften behoort te
zijn. Zij hoefden niet officieel Joods te worden in halachische
zin en hoefden dus ook geen Giyur te doen, maar als gelovigen in de G’d van
Israël moeten ze wel Zijn geboden en inzettingen naleven, om te beginnen met
dat ze zich dienen te onthouden van wat onrein maakt: van alles wat afgoden
gewijd is, van ontucht, van vlees waar nog bloed in zit en van het bloed zelf.
De overige geboden leren ze met de tijd vanzelf wel als ze naar de sjoel gaan.
In eerste instantie werd aan hen slechts een minimum aan geboden opgelegd
met de bedoeling dat ze de rest van de Tora
vanzelf leren als ze elke Shabat de dienst in
de synagoge
bijwonen. De lage drempel werd aanvaardbaar geacht vanwege de wijde
verspreiding van het Jodendom waardoor het voor de gelovigen uit de heidenen
ook mogelijk was om op Shabat in de talrijke synagogen binnen het
Romeinse Rijk geschoold te worden door het wekelijks horen van de Tora. Deze beslissing heeft op twee manieren een doorslaggevende
betekenis gehad op de ontwikkeling van zowel het Messiasbelijdend Jodendom
alsook het later ontstane christendom. Als zij toen hadden beslist om de
heidenen niet in hun midden op te nemen, dan waren ze niet meer dan een Joodse
sekte gebleven met alle gevolgen van dien. Gelukkig hadden zij wel G’ds wil
uitgevoerd en ook de gelovigen uit de volken betrokken in G’ds heilsplan met de
mensheid, maar helaas hebben latere christelijke bijbeluitleggers deze tekst
verkeerd geďnterpreteerd en zodanig opgevat dat de niet-joden zich uitsluitend
aan de hier genoemde vier geboden hoeven te houden en de rest van de Tora maar gewoon kunnen beschouwen als voor hen niet van
toepassing zijnde. Dat dit een misvatting is blijkt echter uit het feit dat
bijna elke kerk de tien geboden wel in acht neemt, en dat zijn toch duidelijk
meer dan alleen maar deze vier. Maar waar het mij in dit verband met name om
gaat is vers 21, namelijk de verwijzing naar de Tora-lezing in de synagoge.
Het woordje ‘want’ of in andere vertalingen ‘immers’ geeft namelijk aan dat dit
vers betrekking heeft op hetgeen in vers 20 gezegd is en dus voor de gelovigen
uit de volken van toepassing is. Zij worden dus geacht om evenals hun Joodse
medegelovigen op Shabat naar de plaatselijke synagoge te gaan om daar te luisteren
naar de lezing en de uitleg van de Tora.
De Schriftlezingen in
de synagoge
De wekelijkse lezing van de Tora vormt als het ware de garantie dat de jonge gemeenschap zijn Joodse identiteit zou behouden ondanks de toestroom van niet-joden. Op elke Shabat wordt een ander gedeelte van de Tora gelezen volgens een bepaald rooster en gevolgd door een lezing uit een van de profetische boeken. Tot op heden weten wij niet precies waar deze gewoonte vandaan komt en op grond van welke criteria de verschillende vaste leesgedeeltes gekozen zijn, maar door Lucas 4:17, waarin Yeshua werd opgeroepen om voor deze profetenlezing naar de Bima te komen, weten wij dat het in ieder geval reeds tijdens de tweede tempelperiode algemeen gebruikelijk was. Al vanouds wordt het Toragedeelte bij voorkeur door Kohanim [het priestergeslacht uit de stam Levi] gelezen, en slechts als deze niet aanwezig zijn mogen anderen daarvoor worden opgeroepen. Het profetengedeelte daarentegen wordt uitsluitend door Joden uit de overige stammen voorgelezen. Om deze reden kreeg Yeshua, die tot de stam Yehuda [Juda] behoorde en dus niet uit Levi stamde, volgens Lucas 4:16-21 de eer om in de synagoge van Natzeret [Nazaret] de Haftara te mogen lezen: “En Hij kwam te Natzeret, waar Hij opgevoed was, en Hij ging volgens Zijn gewoonte op Yom Shabat [de sabbatdag] naar de synagoge en stond op om voor te lezen. En Hem werd vhyi>y rpc Sefer Yeshayahu [het boek van de profeet Jesaja] ter hand gesteld en toen Hij het boek geopend had, vond Hij de plaats, waar geschreven is: De Geest van Adonai is op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan armen de blijde boodschap te brengen; en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar van Adonai. Daarna sloot Hij het boek, gaf het aan de dienaar terug en ging zitten. En de ogen van allen in de synagoge waren op Hem gericht. En Hij begon tot hen te zeggen: Heden is dit Schriftwoord voor uw oren vervuld!” - Evenals in Lucas 24:27, waarin Yeshua later aan de Emmaüsgangers uitlegde dat de Tora en de Profeten van Hem getuigen, vertelde Hij ook na de lezing van vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 61:1-2 aan de mensen in de synagoge, dat juist dit Schriftgedeelte betrekking had op Hemzelf. Gezien de vermelding van de profetenlezing in bovengenoemde tekst uit Lucas 4 kunnen wij ervan uitgaan dat de Haftara reeds in de eerste eeuw gezien werd als een vanzelfsprekend onderdeel van de dienst in de synagoge. Dit wordt ook door tvlipm Mif’alot [Handelingen] 13:13-15 bevestigt: “Sha’ul [Paulus] en die met hem waren, voeren af van Paphos en kwamen te Perge in Pamfylië; maar Yochanan [Johannes] scheidde zich van hen af en keerde weder naar Jeruzalem. Doch zelf gingen zij van Perge verder en kwamen te Antiochië in Pisidië, en op Yom Shabat [de sabbatdag] in de synagoge gegaan zijnde, namen zij plaats. En na de voorlezing van de Tora en de Haftara lieten de oversten der synagoge hun vragen: Mannen broeders, indien gij een woord van opwekking voor het volk hebt, spreekt het dan.” Sha’ul greep uiteraard deze kans aan om aan de hand van de Schriften van Yeshua te getuigen. Zowel Lucas 4:16-21 alsook Handelingen 13:13-15 tonen aan dat ook Yeshua en Zijn Talmidim [volgelingen] als gelovige Joden actief aan deze onderdelen van de eredienst in de synagoge hebben deelgenomen. Als ook u op grond van Handelingen 15:21 deze cyclus van lezingen uit de Tora en de profeten wilt volgen, thuis of in de synagoge, dan is het goed te beseffen dat u daarin ook Yeshua navolgt samen met miljoenen Joden en Messiasbelijdende gelovigen uit de volken, die tegelijkertijd met u hetzelfde gedeelte lezen.
Yeshua in de synagoge
Is deze oproep in Handelingen 15:21 om de Toralezing in de synagoge bij te wonen dan niet tegenstrijdig met de conclusie waartoe wij in de vorige bijbelstudie zijn gekomen, namelijk dat de Eeuwige geen prijs stelt op een gebouw dat men ‘huis van G’d’ ofwel ‘G’ds huis’ noemt? Wij hebben in diverse teksten gelezen dat het nooit Zijn bedoeling was om een huis voor Hem te bouwen. Zelfs de Tempel was niet eens Zijn wens, maar een goedbedoeld idee van David. Maar als de Eeuwige nooit van de gelovigen gevraagd heeft om een kerk voor Hem te bouwen, hoe zit het dan met de synagoge? Dat is toch ook een gebouw? Vindt Hij dat dan wel goed? Jazeker! Yeshua zelf ging elke Shabat naar de plaatselijke synagoge, ongeacht in welke stad Hij op dat moment was. Ik zal enkele voorbeelden noemen. Lucas verhaalt in zijn vierde hoofdstuk vers 16: “En Hij kwam te Natzeret (Nazaret), waar Hij opgevoed was, en Hij ging volgens Zijn gewoonte op Yom Shabat [de sabbatdag] naar de synagoge en stond op om voor te lezen”. In hetzelfde hoofdstuk staat: “Hij daalde af naar K’far-Nachum [Kapernaüm] een stad in de Galil [Galilea], en Hij leerde hen geregeld op de Shabat” (vers 31). Waar leerde Hij hen? In de synagoge! Kijk maar: “En zij kwamen te K’far-Nachum [Kapernaüm] en terstond op de Shabat ging Hij naar de synagoge en leerde” (Marcus 1:21). - “En Hij trok rond in geheel Galilea en leerde in hun synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaal onder het volk.” (vhyttm Matit’yahu [Mattheüs] 4:23). - “En in Zijn vaderstad gekomen, leerde Hij hen in hun synagoge, zodat zij versteld stonden en zeiden: Vanwaar heeft Hij die wijsheid en die krachten?” (vhyttm Matit’yahu [Mattheüs] 13:54). - “En toen de Shabat aangebroken was, begon Hij te leren in de synagoge. En zeer velen van die Hem hoorden, stonden versteld en zeiden: Waar heeft Hij deze dingen vandaan en wat is dat voor een wijsheid, die Hem gegeven is? En zulke krachten, als door Zijn handen geschieden?” (Marcus 6:2). - “Op een andere Shabat geschiedde het, dat Hij in de synagoge ging en leerde” (Lucas 6:6). - “Dit zeide Hij, lerende in de synagoge te K’far-Nachum [Kapernaüm]!” (]nxvy Yochanan (Johannes) 6:59). Hij ging dus naar de synagoge om te leren, te onderwijzen. Daar draait de hele eredienst in de synagoge namelijk om en daarom is het ook een leerhuis, een sjoel, een school. Joden gaan niet naar de sjoel om een fijne dienst bij te wonen, maar om met en van elkaar te leren en gezamenlijk de Tora te bestuderen.
Joodse sekte
De
eerste Joden die in de Mashiach
geloofden hielden de traditie van hun voorouders in ere en namen deel aan de
eredienst in de Tempel en in de synagoge.
Zowel de Messiasbelijdende Joden alsook de gelovigen uit de volken die zich
later bij hen aansloten vormden na de dood, opstanding en hemelvaart van Yeshua een kleine sekte binnen het
Jodendom, zoals er wel meer waren. Zij waren dus geen christenen en gingen niet
op zondag naar de kerk, maar bezochten op Shabat de synagoge en hielden ook drie keer per dag
de door de tempeldienst aangegeven gebedstijden. Het belang van de synagoge en van deze gebedstijden
ontstond voor de Joden waarschijnlijk tijdens de Babylonische ballingschap.
Zonder Tempel om een eredienst en offerdienst in te houden waren vrome Joden in
de Galut [verstrooiing] namelijk
gedwongen om een andere vorm van een eredienst te zoeken en bijeen te komen
rond hun rabbijnen om onderwijzing te ontvangen en de offers werden vervangen
voor gebeden gelijk geschreven staat: “Wij bieden als offerstieren de
belijdenis onzer lippen!” (i>vh Hoshea [Hosea] 14:3). Het grondpatroon was ontleend aan de Tempeldienst, en de
diensten werden op dezelfde tijden gehouden als de Tempeldiensten. De
gebedstijden kregen ook dezelfde namen als de offertijden in de Tempel, te
weten tyrx> Shacharit [ochtendgebed], hxnm
Min’cha [middaggebed] en tybri Ar’vit
[avondgebed]. Uit deze
offerloze bijeenkomsten van gebed en schriftlezing heeft zich de synagoge ontwikkeld en deze vorm werd
behouden en consolideerde na terugkeer uit de ballingschap en werd een normaal
onderdeel van het Joodse religieuze leven. De synagoge bestond in Israël dus
reeds toen de Tempel nog volop functioneerde. Er moet volgens de overleveringen
zelfs binnen het gebouwencomplex van de tweede Tempel een synagoge gestaan hebben. In het begin was
het Messiasbelijdend Jodendom dus slechts een van de vele sekten binnen het
Jodendom. Ondanks hun verschillen deelden al deze Joodse sekten de Tempeldienst
en de synagogendienst, maar hadden daarnaast ook nog hun eigen samenkomsten
voor de geloofsaspecten waar zij speciaal de nadruk op legden. De continuďteit
met de Joodse eredienstpraktijk was derhalve vanzelfsprekend en het was nooit
de bedoeling dat er vanuit het geloof in Yeshua haMashiach een geheel nieuwe religie zou ontstaan die de Tora overboord zou gooien en de synagoge de rug zou toekeren. Het Messiasbelijdend Jodendom spreidde zich
vanuit de eerste gemeente in Jeruzalem uit over het hele toenmalige Romeinse
Rijk, eerst door Judea en daarna door de wereldwijde
Joodse verstrooiing. Toen Sha’ul haShaliach in de heidense steden predikte, begon hij in de plaatselijke synagogen zowel aan de Joden, als aan de
gelovigen uit de volken de blijde boodschap te verkondigen, zoals wij straks
zullen lezen in het boek Handelingen. De meeste bekeerlingen uit de heidenen
waren reeds bekend met de TeNaCH
door hun regelmatige bezoek in de synagoge
op Shabat, want zij kwamen over het
algemeen uit de kringen van de zogenaamde ‘Jodengenoten’ of ook wel de ‘G’dvrezenden’ genoemd. Het waren dus
heidenen, die reeds in de G’d van Israël geloofden en Hem vereerden in
overeenstemming met de Hebreeuwse Geschriften, maar niet officieel tot het
Jodendom toetraden. Dat waren in die tijd voornamelijk Grieken en Romeinen, die
de ethiek en het monotheďstisch geloof van Israël omarmden en de Tora tot op zekere hoogte naleefden, de Shabat hielden en de spijswetten in
acht namen. Zij bezochten de synagogen
en luisterden naar de lezingen en
uitlegging van de Tora en de Haftara in het Grieks, want in de synagogen in de diaspora werd doorgaans
gebruik gemaakt van de Septuaginta. In tegenstelling tot de latere christenen haalden deze eerste
gelovigen uit de volken het niet eens in hun hoofd om de wetten en inzettingen
van de Tora af te schaffen ten gunste van de
gebruiken en praktijken van het heidendom, maar maakten zich juist los van hun
heidense tradities en leefden op z’n Joods, wat hen door hun volksgenoten wel kwalijk
werd genomen.
Daarom prees Sha’ul [Paulus] zijn bekeerlingen uit
de heidenen in 1 Tessalonicenzen 2:13-14 met de woorden: “Wij danken G’d dan ook zonder ophouden. Want de boodschap die u van
ons te horen kreeg, hebt u aanvaard in de overtuiging dat het hier niet ging om
een boodschap van mensen maar om het woord van G’d. Dat het dit inderdaad is,
bewijst wel de uitwerking die het heeft op u, die gelooft. Want u, broeders en
zusters, bent in het voetspoor getreden van G’ds gemeenten in Judea, die verbonden zijn met Mashiach Yeshua. U hebt immers van uw eigen
landgenoten hetzelfde te lijden gehad als zij van de Joden.” (Groot Nieuws Bijbel). Op zijn
zendingsreizen ging Sha’ul uit van het principe ‘eerst de Jood, maar ook de
Griek’, en daarom ging hij in elke stad waar hij kwam eerst naar de synagoge om
de Joden aldaar aan de hand van de Geschriften te overtuigen dat Yeshua de langverwachte Mashiach is:
Sha’ul [Paulus] in de synagoge
“En hun weg nemende over Amfipolis en Apollonia,
kwamen zij te Tessalonica, waar een synagoge
was. En Sha’ul [Paulus] ging, zoals hij gewoon
was, daar binnen en behandelde drie Shabatot
[sabbatten] achtereen met hen gedeelten uit de Schriften”. In deze tekst uit tvlipm Mif’alot
[Handelingen] 17:1-2 lezen wij, dat Sha’ul de
vaste gewoonte had, om ook ná zijn bekering nog op Shabat
de sjoeldienst bij te wonen. Waarom deed hij dat? Omdat Yeshua [Jezus] nooit gezegd had, dat hij dat maar op zondag moest
doen. Integendeel! Het boek Handelingen staat er vol van, dat de gelovigen,
Joden zowel als niet-joden, op de Shabat
samenkomsten hielden. We laten daarom enkele van deze teksten even de revue
passeren, om maar met tvlipm Mif’alot [Handelingen]
13:4-5 in de Nieuwe Bijbel Vertaling te beginnen: "Zo werden Bar-Naba [Barnabas]. en Sha’ul [Paulus] uitgezonden door Ruach haQodesh [de heilige Geest]. Ze gingen eerst
naar Seleucië en van daar per schip naar Cyprus,
waar ze aankwamen in Salamis. Daar
verkondigden ze Gds boodschap in de synagogen
van de Joden. Ýochanan [Johannes] was met hen
meegegaan om hen te helpen." - In hetzelfde hoofdstuk lezen wij in de
verzen 14 en 15: "Sha’ul en Bar-Naba trokken van Perge verder naar Antiochië in Pisidië.
Daar aangekomen gingen ze op Shabat naar de synagoge en namen er plaats. Na de voorlezing uit Tora en de Haftara
[de Wet en de Profeten] werd hun namens de leiders van de synagoge gezegd: ‘Broeders, als u voor de mensen een
bemoedigend woord hebt, ga dan uw gang’" (Handelingen 13:14-15, NBV).
En dat deden ze dan ook en verkondigden de Blijde Boodschap. "Toen Sha’ul en Bar-Naba de synagoge verlieten, kregen ze het verzoek om de
volgende Shabat opnieuw over dit onderwerp te
spreken" (Handelingen 13:42, NBV). "En na het uitgaan van de synagoge, volgden vele van de Joden en de vereerders
van G’d, die Jodengenoten waren, Sha’ul en Bar-Naba, die dan ook tot hen spraken en bij hen aandrongen
om te blijven bij de genade G’ds. En de volgende Shabat
kwam bijna de gehele stad bijeen om het Woord G’ds te horen"
(Handelingen 13:43-44, NBG). "Ook in Ikonium
bezochten ze de synagoge van de Joden, en ook daar werd een groot aantal
mensen, Joden zowel als Grieken, door hun verkondiging tot geloof
gebracht" (Handelingen 14:1, NBV). "Via Amphipolis en Apollonia
reisden ze naar Thessalonica, waar de Joden
een synagoge hadden. Zoals gewoonlijk ging Sha’ul naar hen toe, en
drie Shabat-dagen achtereen debatteerde hij met
hen. Aan de hand van teksten uit de Schrift toonde hij aan dat de Mashiach moest lijden en sterven en daarna uit de
dood moest opstaan. ‘Deze Mashiach,’ zo zei
hij, ‘is Yeshua, die ik u nu verkondig.’
Sommigen lieten zich overtuigen en sloten zich aan bij Sha’ul
en Sila [Silas], evenals veel Grieken die G’d
vereerden, en een groot aantal vrouwen uit de hogere kringen. Maar de Joden die
het geloof niet hadden aanvaard, werden vervuld van jaloezie en riepen enkele
raddraaiers te hulp, die een volksoploop veroorzaakten en grote beroering in de
stad teweegbrachten" (Handelingen 17:1-5, NBV). "Nog diezelfde
nacht lieten de broeders Sha’ul en Sila naar Berea
vertrekken. Ook daar gingen ze naar de synagoge
van de Joden. Hier waren ze vriendelijker dan in Thessalonica:
ze aanvaardden hun prediking met alle bereidwilligheid en onderzochten
dagelijks de Schriften of het inderdaad zo was. Velen van hen kwamen tot
geloof, en ook een niet gering aantal Grieken, vrouwen uit de betere kringen en
mannen" (Handelingen 17:10-12, WV). "Sha’ul’s
begeleiders brachten hem naar Athene en keerden daarna weer terug, met de
opdracht om tegen Silas en Timoteüs te zeggen dat ze
zich zo spoedig mogelijk bij hem moesten voegen. Terwijl Sha’ul in Athene op hen wachtte, raakte hij hevig
verontwaardigd bij het zien van de vele godenbeelden in de stad. In de synagoge sprak hij met de Joden en met de Grieken
die G’d vereerden, en op het marktplein ging hij dagelijks in debat met de
mensen die hij daar aantrof" (Handelingen 17:15-17, NBV). Voor Sha'ul en zijn begeleiders was het heel normaal om op
Shabat naar de plaatselijke synagoge te gaan, ongeacht waar ze waren. In de
nieuwe vertaling van Handelingen 17:2 staat, dat Sha'ul
'zoals gewoonlijk' naar de synagoge ging, de
NBG-vertaling gebruikt evenals de Groot-Nieuws-Bijbel de term 'zoals hij gewoon
was', en in de Willibrord-vertaling ging hij daarheen 'naar zijn gewoonte'.
Voor deze eerste Messiasbelijdende Joden was het dus vanzelfsprekend om op Shabat naar de synagoge
te gaan, maar niet alleen voor hen was dat heel normaal, want in de zojuist
geciteerde teksten lazen wij immers, dat er in praktisch alle synagogen waar zij kwamen ook Grieken waren die in
de G'd van Israël geloofden. "Hierna vertrok Sha'ul
uit Athene naar Korinthe. Daar ontmoette hij Aquila,
een Jood uit Pontus. Die was met zijn vrouw Priscilla daar nog maar kortgeleden aangekomen
vanuit Italië. Volgens een decreet van keizer Claudius
moesten namelijk alle Joden Rome verlaten. Sha'ul
zocht hen op, en omdat hij evenals Aquila het
vak van tentenmaker uitoefende, bleef hij bij hen wonen en werken. Elke Shabat sprak hij in de synagoge en trachtte
hij Joden en Grieken te overtuigen. Toen Silas
en Timoteüs uit Macedonië waren aangekomen, kon Sha'ul
zich geheel aan de prediking wijden. Tegenover de Joden getuigde hij dat Yeshua de Mashiach
is. Maar toen zij zich bleven verzetten en zelfs begonnen te spotten, sloeg hij
het stof van zijn kleren en zei: ‘Als u ten onder gaat, is dat uw eigen
verantwoording, ik heb er geen schuld aan. Van nu af aan richt ik me tot de
niet-Joden.’ Hij verliet de synagoge en begaf
zich naar het huis ernaast. Daar woonde Titius Justus,
een man die G’d vereerde. De bestuurder van de synagoge,
Crispus, kwam met al zijn huisgenoten tot
geloof in Adonai. Veel Korintiërs die Sha'ul hoorden, geloofden en werden
ondergedompeld" (Handelingen 18:1-8, GNB). Deze tekst heeft vaak
geleid tot een misverstand. Omdat de Joden in de synagoge
te Korinthe de Messiaanse boodschap niet wilden aanvaarden en zelfs begonnen te
lasteren heeft Sha'ul deze synagoge verlaten en gezegd dat hij zich voortaan
tot de Goyim [heidenen] zal richten in plaats
van zijn eigen volk. Velen hebben hieruit de verkeerde conclusie getrokken dat
hier de grote breuk heeft plaats gevonden tussen kerk en synagoge en dat Paulus
door het afschudden van het stof nu definitief zijn band met de synagoge en het Joodse volk heeft verbroken. Maar
niets is minder waar. Dat Sha'ul de synagoge in Korinthe de rug had toegekeerd wil nog
niet zeggen dat hij vanaf dat moment helemaal niet meer naar de sjoel gegaan
zou zijn. Deze opvatting is wel heel erg kortzichtig, want slechts enkele
verzen verderop in hetzelfde hoofdstuk lezen wij het volgende: "Toen ze
Efeze aandeden, liet hij Priscilla en Aquila daar achter. Zelf ging hij er de synagoge binnen en sprak de Joden toe. Op hun
verzoek om nog wat langer te blijven ging hij niet in, maar bij het afscheid
zei hij: ‘Als G’d het wil, kom ik bij u terug.’ Toen voer hij weer van Efeze
weg" (Handelingen 18:19-21, GNB). Enige tijd later kwam Sha'ul opnieuw naar Efeze en maakte zijn belofte
waar: "De volgende drie maanden ging hij regelmatig naar de synagoge, waar hij vrijmoedig met de bezoekers sprak
over het koninkrijk van G’d en hen met
zijn uiteenzettingen trachtte te overtuigen. Maar toen sommigen zijn boodschap
halsstarrig bleven afwijzen en de Weg bij iedereen belachelijk maakten, vertrok
hij en nam de leerlingen met zich mee. Voortaan sprak hij dagelijks in de
school van Tyrannus" (Handelingen 19:8-9, NBV). Hier
gebeurde dus hetzelfde als in Korinthe, maar Sha'ul bleef een toragetrouwe Jood zolang hij leefde en heeft overal
de plaatselijke synagoge bezocht zolang dat mogelijk
was. Nooit heeft hij gesuggereerd dat de huisgemeenten in de plaats van de synagogen zouden zijn gekomen, laat staan dat hij
kerkgebouwen in gedachten gehad zou hebben. Chalila! Geen sprake van! Sha'ul en zijn leerlingen verlieten weliswaar hier en
daar een plaatselijke synagoge door de
omstandigheden, maar niet de synagoge in het
algemeen, want daarna gingen zij gewoon weer in een andere stad naar de synagoge. Niet naar de kerk, maar naar de sjoel!
Niet op zondag, maar op de Shabat!
En zo bleef het ook meer dan 400 jaren lang. Het was vanzelfsprekend, dat de
gelovigen de Shabat heiligden overeenkomstig
het gebod van de Allerhoogste. Hij heeft immers nooit gezegd, dat je de Shabat slechts hoefde te houden tot de dag dat de Mashiach [Messias] zou komen. Neen! Het is een eeuwigdurende inzetting! Yeshua heeft het houden van de Shabat niet stopgezet, ook niet een dag opgeschoven,
en Zijn Vader is eveneens nooit van gedachte veranderd! Hij heeft nooit gezegd,
dat de Shabat nu maar door de zondag vervangen
moest worden. Ook heeft Hij nooit gezegd dat de Tora
voor ons door Zijn offer niet meer van toepassing zou zijn. Integendeel! Juist
omdat Hij voor ons de straf op zich heeft genomen voor onze zonden, zouden we
er nu naar moeten streven om gehoorzaam te zijn aan G’ds geboden en
inzettingen, want: “Ieder die zondigt overtreedt G’ds Wet, want zondigen is
G’ds Wet overtreden!” (a ]nxvy Yochanan alef [1 Johannes] 3:4, NBV). De bijbelse
definitie van zonde is dus het overtreden van de Tora
en daarom is het van groot belang om de Tora te
kennen, want hoe kan men gehoorzaam zijn aan een wet die men niet kent? In de
kerk wordt de Tora niet volledig gelezen en
sowieso niet als gezaghebbend beschouwd. Als gevolg daarvan is er bij velen een
gebrek aan kennis en overtreden zij G’ds wet voortdurend zonder dat zelf in de
gaten te hebben. De Eeuwige zag dit al aankomen en heeft reeds vele eeuwen
geleden gezegd: “Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis!” (i>vh Hoshea [Hosea] 4:6).
Daarom is het doel van deze bijbelstudie, u aan te moedigen
om naast het Nieuwe Testament ook elke week de Tora
en de Profeten te lezen volgens het Joodse leesrooster, thuis of in de synagoge, en zo wil ik deze studie
afsluiten met het goedbedoelde advies van Sha’ul aan Timotheüs, dat ook voor ons allen van toepassing is “Allen
die vroom en in eenheid met Mashiach Yeshua willen leven, zullen worden vervolgd. Slechte mensen en
oplichters zullen van kwaad tot erger vervallen; het zijn bedriegers die zelf
bedrogen worden. Maar jij, blijf bij alles wat je geleerd hebt en met
overtuiging hebt aangenomen. Je weet wie je leraren waren en bent van kindsbeen
af vertrouwd met de heilige Geschriften die je wijsheid kunnen geven, zodat je
wordt gered door het geloof in Mashiach Yeshua. Elke schrifttekst is door G’d geďnspireerd en kan gebruikt
worden om onderricht te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen, en om op
te voeden tot een deugdzaam leven, zodat een dienaar van G’d voor zijn taak
berekend is en voor elk goed doel volledig is toegerust.” (1 Timotheüs 3:12-17). Amen!
Werner Stauder